|
Zijn oude stek was onherkenbaar. In de ex-friture stonden nu vrolijke Arabieren. Het interieur verraadde de inval van een nieuw eetimperium, en alles oogde er ineens uiterst modern en zuiver. Arthur Lotgeval viel die avond een ware metamorfose binnen. Hij werd overvallen door een bonte verzameling van schilderijen uit de jugendstilperiode die keurig geordend, aan losse rotanhouten wanden gehangen, een vreemde maar geslaagde kadrering opleverde in deze naar vis en knoflook ruikende ruimte. Een ruimte waarin hij zich nauwelijks nog kon indenken ooit te hebben vertoefd. Als in Godverwondering gehuld, bleef hij dan ook secondelang staren. “Zegt u het maar” Hij werd uit zijn gedachten getrokken als haren uit een afvoerputje. Nog half geklonken in zijn eigen innerlijk, hoorde hij een automatische ik-figuur als op commando spreken. “Een grote schotel shoarma. Tomatensaus en knoflook erbij.” De bestelling was lang onaangeroerd, maar nog stevig aanwezig. Een DANKJEWEL aan zijn persoonlijke harddisk. En toen klonk het: “Inpakken?” Stil. “.. of meenemen?,” grapte de jongste van het tweetal terwijl hij de witte brokken kippenvlees op een zojuist ingevette bakplaat strooide. Allochtone komedianten. Hun stemmen waren rijk besprenkeld met alles wat donker aan een klankkleur kon zijn. Onder hen siste de frieten reeds in een wedstrijd met het schroeiende vlees en de jongemannen verdeelden hun taken om beurten, broederlijk en gastvrij, al plettend met een spaan. “Ik zou het graag hier opeten.”, besloot Arthur ter plekke. En terwijl hij voorzichtig een tafel bij het raam uitzocht, zijn jas over de stoel hing en zich neerzette, haalde hij uit de binnenzak van zijn colbert een ballpoint. Op het zoveelste blad van zijn blocnote schreef Arthur Lotgeval zinnen aan en onder elkaar. Een verzameling van woorden die hij regelmatig afvlagde met een meester-krul, maar veel vaker nog was hij teleurgesteld. Dan overviel Arthur zijn tekst soms minutenlang met een stortregen van onregelmatige pendoorhalingen. Bij missers haalde hij het liefst alle herkenbaarheid van het woord weg. Het elimineren van zijn geesteskind kostte vaak meer tijd dan het verwekken ervan en Arthur vreesde de kubieke centimeters blauw op zijn van zinnen vergeven A vier. Maar vandaag was het anders. Arthur bleef een middag lang bezig met schrijven. Onophoudelijk. De productie volzinnen die uit de kogellager van zijn pen stroomden was niet te stoppen en Arthur verplaatste zijn schrijfgerei regelmatig, omwille van het licht door dichter bij het raam met de gesloten gordijnen te gaan zitten. Arthur werkte bij voorkeur naakt in het donker. Dat was “gemuttlich”. Over de stad schoof snel, somber en dreigend, een pikzwarte wolkenmassa voorbij waarna een lichtboeket van helwitte zonnestralen zichzelf in het plafond langs vitrage en mazen in het gordijn schreef. Arthur lag op bed en keek ernaar. Het plafond, dat barsten vertoonde en schubben van losgelaten muurverf, staarde terug. Bij het opstaan bleef zijn penis gedurende korte tijd aan de oude pap van een natte droom hangen. Met een wijd gebaar vanuit zijn middel als een dirigent die zijn orkestpartituur presenteert trok Arthur de gordijnen open, en vanachter de huizen sloeg de glans van een nieuwe ochtend volop in zijn juist ontwaakte gezicht.
|